Discussie tussen Hans en Frans over box 3, blijf wakker

Datum : 27-09-2026

Onlangs kwam MeerBusiness Golf & Events organisator zijn accountant en belastingadviseur weer eens tegen. “Binnenkort gaan wij weer naar de Tweede kamer, zullen wij ons voorbereiden op de Box 3 discussie?  vroeg Frans van der Riet aan Hans van Schie van Moore Accountants & Adviseurs.  “Nou dat is een hele stevige discussie en volgens mij lossen we dat niet 1,2, 3 op, maar weet jij eigenlijk waar nou precies de trikker zit?” Repliceerde Hans. En Frans reageerde met : “Ja. De box-3-discussie is eigenlijk veel interessanter dan alleen de vraag “hoeveel belasting betaal ik over mijn spaargeld?”

Het gaat tegelijk over rechtsgelijkheid, vermogensongelijkheid, eigendomsrecht, economische prikkels, uitvoerbaarheid én de vraag wat we überhaupt onder inkomen verstaan”. “Klopt, ga maar even zitten en bestel nog wat, dan gaan wij even een boom opzetten, het is een interessante discussie die je niet even snel weer geeft. Rr is inmiddels een flinke geschiedenis achter gekomen. Stand van zaken: september 2026: het nieuwe wetsvoorstel voor werkelijk rendement is door de Tweede Kamer aangenomen, maar ligt nog bij de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft de behandeling nog niet afgerond en bespreekt momenteel ook mogelijke aanpassingen. De beoogde invoering is 1 januari 2028.

Allereerst de vraag , wat is box 3 eigenlijk? Nederland heeft drie inkomensboxen:                
•             Box 1: inkomen uit werk en woning                
•             Box 2: inkomen uit een aanmerkelijk belang, bijvoorbeeld aandelen in je eigen BV                
•             Box 3: inkomen uit sparen en beleggen In box 3 vallen bijvoorbeeld: spaargeld, aandelen, obligaties, tweede woningen, verhuurd vastgoed en bepaalde andere beleggingen. De fundamentele gedachte achter box 3 is: Als je veel vermogen hebt, kan dat vermogen je inkomen opleveren. Maar daar begint meteen het probleem.

Want stel:Persoon A                
•             €500.000 spaargeld                
•             ontvangt €5.000 rente Persoon B                
•             €500.000 aandelen                
•             maakt €50.000 rendement Persoon C                
•             €500.000 aandelen                
•             maakt €0 rendement De vraag is dan : Moet je ze alle drie ongeveer hetzelfde belasten omdat ze €500.000 vermogen hebben, of moet je kijken naar wat ze daadwerkelijk verdienen? Want dat is de kern van de hele discussie.

Het oude box-3-stelsel: het fictieve rendement.
Toen box 3 in 2001 werd ingevoerd, zei de wetgever eigenlijk: We gaan niet ieder jaar precies uitrekenen hoeveel rente, dividend en koerswinst iemand heeft gemaakt. Dat is administratief veel te ingewikkeld. We doen alsof vermogen een bepaald rendement oplevert. Tot en met 2016 was dat in essentie: 4% fictief rendement × 30% belasting = 1,2% van het vermogen. Dat was extreem eenvoudig. Heb je bijvoorbeeld €1 miljoen vermogen boven de vrijstelling, dan werd gedaan alsof je €40.000 rendement maakte. Daarover betaalde je 30%: dus €12.000 belasting. Of je in werkelijkheid: €2.000 rente had gekregen, €40.000 had verdiend, of €100.000 had verloren, maakte in principe niet uit. Dat systeem werkte zolang 4% als een enigszins realistisch rendement kon worden gezien. Maar toen de rente naar ongeveer nul ging, ontstond het grote probleem. Het bizarre voorbeeld waarmee de hele discussie begrijpelijk wordt; Stel dat je €500.000 spaargeld hebt. De rente is 0,5%. Je verdient: €2.500 rente. Maar de fiscus zegt: Wij doen alsof je bijvoorbeeld €20.000 rendement hebt gemaakt. En vervolgens betaal je belasting over die €20.000. Je kunt dus belasting betalen over rendement dat je helemaal niet hebt gehad. Economisch gezien kan dat betekenen dat je vermogen moet aanspreken om de belasting te betalen. En daar zit het juridische probleem.
Want belasting heffen is natuurlijk toegestaan. Maar de overheid kan niet onbeperkt zeggen: “Wij vinden dat je €20.000 hebt verdiend.” als iemand daadwerkelijk €2.500 heeft verdiend. Dus Nederland veranderde het systeem in 2017 In 2017 werd het systeem verfijnder. In plaats van één fictief rendement van 4% kwam er een onderscheid tussen: spaargeld, overige bezittingen, schulden. Bovendien werd het rendement afhankelijk gemaakt van de omvang van het vermogen. De gedachte was: Mensen met veel vermogen beleggen gemiddeld een groter deel en halen daarom gemiddeld een hoger rendement. Dat was statistisch verdedigbaarder. Maar het fundamentele probleem bleef: het was nog steeds een forfait. De fiscus keek niet naar jouw daadwerkelijke rendement.   En toen kwam de Hoge Raad. Dit is het juridische hart van de discussie.

In het zogenoemde Kerstarrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het toenmalige box-3-stelsel in bepaalde gevallen in strijd kwam met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het EVRM. De kern was niet simpelweg: “Belasting op vermogen mag niet.” Integendeel. De overheid mag vermogen belasten.

Het probleem was de combinatie van:
1. een fictief rendement;
2. grote verschillen tussen werkelijke rendementen van belastingplichtigen;
3. belastingheffing alsof dat fictieve rendement daadwerkelijk was behaald.

Daardoor konden mensen met bijvoorbeeld vrijwel uitsluitend spaargeld worden belast alsof ze veel meer rendement maakten dan daadwerkelijk het geval was.  Dat was de juridische bom onder box 3. Frans: ‘ Waarom kon de rechter hier eigenlijk iets van vinden?” Hans; “Omdat eigendom in het EVRM wordt beschermd. De staat mag belasting heffen, maar belastingheffing mag niet willekeurig worden. Heel simplistisch gezegd:              

De overheid mag een deel van je inkomen of vermogen afpakken, maar moet daar een redelijke juridische rechtvaardiging voor hebben. Als iemand €1 miljoen heeft en €2.000 rendement maakt, terwijl de overheid doet alsof die persoon €50.000 heeft verdiend en daar belasting over heft, ontstaat een proportionaliteitsprobleem. Daarom zei de Hoge Raad in essentie: je mag vermogen belasten, maar een systeem dat structureel geen rekening houdt met het daadwerkelijke rendement kan juridisch niet door de beugel.”  En vervolgens moest de politiek improviseren. En dit is belangrijk. De Hoge Raad zei niet: “Hier is het perfecte nieuwe belastingstelsel.” De rechter vernietigde de juridische basis van het oude systeem voor bepaalde situaties. De politiek moest dus een oplossing verzinnen. Dat leidde tot het huidige rechtsherstel en vervolgens de tegenbewijsregeling. De huidige tussenoplossing; De huidige regeling werkt grofweg zo: De Belastingdienst gebruikt nog steeds forfaitaire rendementen, maar veel meer uitgesplitst naar het soort vermogen. Bijvoorbeeld voor 2026: banktegoeden: voorlopig 1,28% , overige bezittingen: 6,00%, schulden: 2,70%, belastingtarief: 36%, heffingsvrij vermogen: €59.357 per persoon.  Maar er is nu een belangrijke escape: Als je kunt aantonen dat je werkelijke rendement lager was, kan je belasting worden verminderd. Dat is de tegenbewijsregeling.

Sinds 1 juli 2025 kunnen belastingplichtigen daarvoor hun werkelijke rendement opgeven. Waarom is daarmee het probleem niet opgelost? Omdat je dan eigenlijk twee systemen naast elkaar hebt. Systeem A; De fiscus zegt: Wij schatten je rendement op basis van forfaits. Systeem B;

De belastingplichtige zegt:           
Mijn werkelijke rendement was lager. En dan moet de Belastingdienst het daadwerkelijk controleren. Dat is enorm ingewikkeld. En je moet dan ook bepalen: Wat is “werkelijk rendement”? Daar komen we bij het echte filosofische probleem. Wat is rendement eigenlijk? Stel je hebt een aandeel. Op 1 januari: €100.000 Op 31 december: €130.000. Je hebt daarnaast €2.000 dividend ontvangen. Wat is je rendement? €32.000. Maar je hebt het aandeel niet verkocht. Je hebt dus geen €32.000 op je bankrekening. De winst is papieren winst. En daar ontstaat de fundamentele tegenstelling tussen: Vermogensaanwasbelasting en Vermogenswinstbelasting.  

Vermogensaanwasbelasting; Bij een vermogensaanwasbelasting zeg je: je vermogen is €30.000 meer waard geworden, dus je hebt €30.000 rendement gemaakt.Je betaalt daar nu belasting over. Dus: €100.000 → €130.000 €30.000 waardestijging. Daar komt eventueel dividend bij. Voordeel: Je belast rendement op het moment dat het ontstaat. Je voorkomt dat iemand twintig jaar lang belasting kan uitstellen door simpelweg nooit te verkopen. Nadeel: Je moet belasting betalen over geld dat je nog niet daadwerkelijk hebt ontvangen.

Frans; dus dan krijg je het beruchte liquiditeitsprobleem? Hans, “klopt” Stel: Je koopt een schilderij voor: €1 miljoen, Het schilderij is een jaar later: €1,5 miljoen. Je hebt €500.000 “rendement”. Maar je hebt geen €500.000 cash. Als de belasting daarover bijvoorbeeld €180.000 bedraagt, moet je dat geld ergens vandaan halen. Je zou het schilderij moeten verkopen of ander vermogen aanspreken. Hetzelfde kan gebeuren met: vastgoed, aandelen in een niet-beursgenoteerd bedrijf, kunst, bepaalde andere illiquide bezittingen. Dat is een van de belangrijkste bezwaren tegen vermogensaanwasbelasting. Bij een vermogenswinstbelasting zeg je: Je betaalt pas belasting over de waardestijging wanneer je verkoopt. Dus: €1 miljoen → €1,5 miljoen Geen belasting over de €500.000 zolang je niet verkoopt. Verkoop je later voor €1,5 miljoen? Dan wordt de €500.000 winst belast. Dat sluit aan bij het zogenaamde realisatiebeginsel. Je betaalt belasting wanneer de winst daadwerkelijk gerealiseerd is. Maar daar zit weer een enorm probleem aan. Want stel dat je een aandeel hebt.Je koopt het voor:€100.000 Het wordt: €500.000 Je verkoopt niet. Je betaalt niets. Het wordt: €800.000. Nog steeds niets. Je houdt het twintig jaar. Nog steeds niets. Daarmee ontstaat een enorme prikkel om verkoop uit te stellen. En precies dat is een van de grote bezwaren van het ministerie tegen een volledige vermogenswinstbelasting. De Raad van State erkent overigens ook dat een vermogenswinstbelasting voordelen heeft: ze sluit beter aan bij het realisatiebeginsel en voorkomt liquiditeitsproblemen. Maar daar staan uitstelgedrag, fiscale planning, complexiteit en uitvoeringsproblemen tegenover. 
We nemen een extreem voorbeeld; Stel: Je hebt €10 miljoen in aandelen. Je maakt gemiddeld 8% rendement. Dat is: €800.000 per jaar. Vermogensaanwasbelasting; Je betaalt ieder jaar belasting over ongeveer die €800.000. Vermogenswinstbelasting; Je kunt zeggen: Ik verkoop niets. En dus kan belastingheffing over de koerswinst jarenlang worden uitgesteld. Je zou uiteindelijk zelfs kunnen overlijden zonder ooit verkocht te hebben. Dat maakt vermogenswinstbelasting aantrekkelijk vanuit liquiditeit, maar ingewikkeld vanuit belastingheffing.    

Frans; “En daar komt de politiek om de hoek kijken, de links rechts discussie?” Hans “ja, want achter de technische discussie zit een ideologische vraag: Wat is rechtvaardiger: belasting heffen op vermogen of op inkomen uit vermogen? En vervolgens: Hoe zwaar moet vermogen worden belast ten opzichte van arbeid? Dat is dus in feite de links-rechtsdimensie. De linkse redenering begint meestal bij draagkracht en vermogensongelijkheid. De gedachte is:Wie veel vermogen heeft, heeft een grotere economische draagkracht dan iemand die uitsluitend van zijn salaris leeft. Stel: Persoon A: €40.000 salaris, geen vermogen. Persoon B:€40.000 salaris, €3 miljoen aandelen. Hoewel ze hetzelfde arbeidsinkomen hebben, heeft persoon B een veel grotere financiële buffer en ontvangt potentieel veel meer inkomsten uit vermogen. Vanuit die invalshoek is het logisch om vermogen en vermogensinkomsten serieus te belasten. Het belangrijkste linkse argument; Een forfaitaire belasting kan juist rijke beleggers bevoordelen.Stel twee mensen hebben €1 miljoen. Persoon A: rendement: 2%; Persoon B:rendement: 15%. Als beide hetzelfde forfaitaire rendement worden toegerekend, betalen ze ongeveer hetzelfde. Maar persoon B heeft in werkelijkheid €130.000 meer verdiend. De linkse kritiek is dan: Waarom zou iemand met een heel hoog rendement relatief minder belasting betalen over zijn rendement dan iemand met een laag rendement? Dat is een sterk argument vóór belasting over werkelijk rendement. De Raad van State onderschrijft ook het bredere punt dat de ongelijke behandeling van verschillende vormen van vermogen een structureel vraagstuk vormt en dat werkelijk rendement de verschillen tussen boxen kan verkleinen.  Nog een links argument: arbeid versus vermogen. Hier wordt het debat veel groter dan box 3.

Stel: Een werknemer werkt extra uren. Daarover betaalt hij inkomstenbelasting en premies. Een vermogende persoon ontvangt ondertussen: rente,   dividend, huur, koerswinst. De linkse vraag is: Waarom zou de marginale belastingdruk op arbeid hoger moeten zijn dan de belastingdruk op kapitaal? Dat is een fundamentele politieke keuze. Een linkse visie zal daarom eerder zeggen: verlaag de belasting op arbeid en verschuif een deel naar vermogen. Maar links heeft ook een probleem. Een belasting op werkelijk rendement kan economisch ingewikkeld worden. Stel een ondernemer bezit aandelen van zijn eigen startup. Die aandelen stijgen van: €1 miljoen → €5 miljoen. Dat is €4 miljoen vermogensaanwas. Maar hij ontvangt geen salaris van €4 miljoen. Er is geen €4 miljoen cash. Als daar belasting over moet worden betaald, kan hij gedwongen worden aandelen te verkopen. Dat kan investeringen ontmoedigen. En precies daarom is het nieuwe wetsvoorstel voor sommige illiquide vermogensbestanddelen voorzichtiger. De rechtse invalshoek De rechtse kritiek begint doorgaans bij andere waarden:   eigendomsrecht, investeringsprikkels, ondernemerschap, kapitaalvorming, eenvoud, voorspelbaarheid, beperkte overheid.
De vraag wordt dan: Waarom zou iemand die zijn hele leven heeft gespaard en geïnvesteerd ieder jaar extra belasting moeten betalen over vermogen dat al uit eerder belast inkomen is opgebouwd? Dat is een principieel argument. Frans ehhhh ik denk aan Het klassieke dubbele-belastingargument. Hans Klopt! Stel iemand verdient: €100.000 salaris. Daar betaalt hij inkomstenbelasting over. Hij houdt bijvoorbeeld €60.000 over. Dat zet hij op een spaarrekening. De rente wordt vervolgens opnieuw belast. Een rechts/liberaal perspectief kan zeggen: Je belast eerst het inkomen waarmee het vermogen is opgebouwd en daarna opnieuw het rendement op dat vermogen. Dat wordt vaak ervaren als dubbele belasting. Maar technisch moet je daar voorzichtig mee zijn. Het is niet letterlijk dezelfde belastinggrondslag die tweemaal wordt belast. Het oorspronkelijke salaris en de later ontvangen rente zijn verschillende inkomensstromen. Het is dus vooral een politiek/economisch argument, geen simpele juridische constatering. Nog belangrijker: sparen wordt relatief onaantrekkelijk. Stel: Je hebt €500.000.Je kunt: Optie A; Spaargeld aanhouden. Optie B; Risicovol beleggen. Als de overheid het rendement van beide heel zwaar belast, kan iemand zeggen: Dan neem ik mijn geld wel ergens anders onder. Daarom speelt de kapitaalvlucht- en investeringsprikkel-discussie. Nederland concurreert immers met andere landen. Maar hier zit ook een belangrijke nuance. Het is te simpel om te zeggen: “Belasting op vermogen vernietigt investeringen.” Want dat hangt af van: het tarief, de alternatieve belasting in andere landen, wat iemand met het geld zou doen, of verliezen aftrekbaar zijn, of alleen reëel rendement wordt belast, of inflatie wordt gecorrigeerd, of de belasting wordt uitgesteld en hoe mobiel het vermogen is. Daarom is dit uiteindelijk een empirische én politieke discussie.

Frans oh en dan hebben wij het nog niet eens over inflatie gesproken; Hans: “Dit is een ontzettend belangrijk onderdeel dat vaak onderbelicht blijft. Stel: Je hebt €1 miljoen. Je belegging stijgt met 4%. Je hebt dus: €40.000 nominale winst. Maar inflatie is 3%. Je koopkracht is daardoor maar ongeveer 1% verbeterd. Je hebt dus economisch ongeveer: 1% reëel rendement. Toch kan een belastingstelsel zeggen: Je hebt €40.000 rendement gemaakt. Dan belast je deels een inflatie-effect. Dit is een belangrijk argument van mensen die kritisch zijn op een vermogensaanwasbelasting. De vraag wordt dan: Moeten we belasting heffen over nominaal rendement of reëel rendement? En dit is waar het écht ingewikkeld wordt; Want stel: Aandeel: €100.000 → €104.000. Inflatie: 3%. Nominale winst: €4.000. Reële winst: ongeveer €1.000. Als je 36% belasting heft over €4.000: €1.440 belasting. Dat is meer dan de reële vermogensgroei. Dan wordt de belasting economisch behoorlijk zwaar. En dat kan juist bij lage rendementen problematisch worden.

Zullen we eerst maar nog eens wat bestellen en ehhh kan dat van de winst af 😊? “Goed plan Frans” “werkelijk rendement” is niet automatisch hetzelfde als “eerlijk”. Dit is misschien wel het belangrijkste inzicht. Je hoort vaak: “We moeten gewoon het werkelijke rendement belasten.” Klinkt logisch. Maar daarna begint de echte discussie. Want: welk werkelijk rendement? Nominaal? Reëel? Inclusief inflatie? Inclusief ongerealiseerde koerswinst? Na kosten? Na transactiekosten? Met aftrek van verliezen? Hoe behandel je eigen gebruik? Hoe behandel je vastgoed? Hoe behandel je buitenlandse beleggingen? Hoe behandel je crypto? Hoe behandel je een startup? Hoe behandel je een verhuurd huis? Hoe behandel je een huis dat leegstaat? Hoe behandel je een schilderij?
“Hoho eerst ff proosten en je hebt vast nog niet alles genoemd”. Nee, Vastgoed maakt alles nóg moeilijker. Neem een appartement van €500.000. Het levert: €15.000 huur. Maar het appartement stijgt bijvoorbeeld €30.000 in waarde. Werkelijk rendement: €45.000 minus kosten. Maar die €30.000 waardestijging zit niet op je bankrekening. Je hebt alleen: €15.000 cash. Bij vermogensaanwasbelasting kan je toch belasting betalen over €45.000. Daarom is vastgoed zo’n heet hangijzer. En vastgoed heeft nóg een probleem, Wat als je een tweede woning hebt die je zelf gebruikt? Bijvoorbeeld: Een huis in Zeeland ter waarde van €600.000. Je verhuurt het niet. Je verdient: €0 huur. Maar je hebt wel het voordeel dat je er zelf vakantie kunt vieren. Is dat economische opbrengst? De overheid zegt in feite: Ja, het feit dat je een woning zelf gebruikt heeft economische waarde. Maar hoe meet je dat? Een mogelijke benadering is: Wat zou je voor vergelijkbare accommodatie moeten betalen als je die zou huren? Dat heet grofweg een eigengebruikvoordeel. Maar dat is buitengewoon moeilijk objectief vast te stellen. Dit is precies een kritiekpunt van de Raad van State. De Raad van State vond het voorgestelde nieuwe stelsel bijzonder complex. Onder andere vanwege: vermogensvergelijkingen, administratieplicht, ongerealiseerde waardemutaties, eigen gebruik van vastgoed, uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst. De Raad van State adviseerde in 2024 zelfs om het voorstel in die vorm niet in te dienen en het stelsel opnieuw te bezien. 
Frans: En toch wil de politiek van het forfait af, Dat is interessant. Want ondanks alle kritiek is er behoorlijk brede overeenstemming over één ding: Het oude systeem waarin een fictief rendement wordt opgelegd dat voor individuele belastingplichtigen sterk kan afwijken van de werkelijkheid, is niet houdbaar. De discussie gaat dus minder over: “Moeten we het oude systeem behouden?” en meer over: “Wat moet ervoor in de plaats komen?”
Hans; Klopt, Het huidige voorstel voor 2028, Het voorgestelde systeem probeert het midden te vinden. De hoofdregel wordt: Vermogensaanwasbelasting. Je belast: rente, dividend, huur, aftrekbare kosten, gerealiseerde waardeveranderingen en ongerealiseerde waardeveranderingen. Dus de werkelijke jaarlijkse ontwikkeling. Maar er zijn uitzonderingen. Voor onder andere: onroerende zaken, aandelen/winstbewijzen in startups wordt een vermogenswinstbelasting gebruikt. Dan wordt de waardestijging pas bij verkoop belast. Men heeft  voor die hybride vorm gekozen, omdat men probeert twee problemen tegelijk op te lossen.
Probleem 1, Vermogenswinstbelasting geeft enorme prikkels om belasting uit te stellen.
Probleem 2, Vermogensaanwasbelasting kan liquiditeitsproblemen veroorzaken. Dus zegt de wetgever: Voor liquide beleggingen kunnen we jaarlijkse vermogensaanwas redelijkerwijs belasten. Maar: Voor vastgoed en startups is wachten tot realisatie verstandiger. Dat is economisch een compromis. En daar komt een interessante kritiek vandaan. Waarom moet vastgoed anders worden behandeld dan aandelen? Dat is precies een punt waarop de Raad van State wees. Je kunt immers zeggen: Een aandeel stijgt €100.000 in waarde. Dat wordt belast. Maar: Een appartement stijgt €100.000 in waarde. Dat wordt pas bij verkoop belast. Waarom? Omdat vastgoed illiquide is. Dat is een praktische rechtvaardiging. Maar het creëert ook verschillende fiscale behandeling van verschillende vermogensvormen. En daardoor kunnen mensen proberen hun vermogen zo te structureren dat het in een gunstiger categorie valt. Dat heet: belastingarbitrage. Dit is een gigantisch belangrijk thema. Want Nederland heeft: Box 1, arbeid/woning, Box 2, BV/aandelen aanmerkelijk belang en Box 3 sparen/beleggen. Als de ene box gunstiger wordt dan de andere, ontstaat een prikkel om inkomen/vermogen naar een andere box te verplaatsen. De Raad van State waarschuwde daar expliciet voor. 
Nog een voorbeeld we zitten er toch lekker in nietwaar : Stel: Je hebt €5 miljoen. Je kunt dat vermogen: privé aanhouden → box 3 of via een BV structureren → box 2 + vennootschapsbelasting. Als box 3 veel zwaarder wordt dan box 2, wordt het aantrekkelijker om een BV te gebruiken. Dan krijg je dus niet alleen een box-3-vraagstuk. Je krijgt een: “Hoe ontwerpen we het hele Nederlandse systeem voor vermogen?”En dat is waarom de Raad van State zegt dat Nederland eigenlijk een integrale visie op de belasting van vermogen nodig heeft.  Hier komen links en rechts eigenlijk dichter bij elkaar. Dit is belangrijk. Je zou verwachten: links: “meer belasting op vermogen”. rechts: “minder belasting op vermogen”. Maar zo simpel ligt het niet. Er zijn bijvoorbeeld rechtse/liberale mensen die zeggen: Ik ben vóór een belasting op werkelijk rendement, want dan betaal je alleen over wat je daadwerkelijk verdient. Dat kan beter zijn dan een forfait dat iemand met laag rendement relatief zwaar belast. En er zijn linkse mensen die juist zeggen: Een vermogenswinstbelasting is te vriendelijk voor zeer vermogenden, omdat je belasting eindeloos kunt uitstellen. Dus: de keuze tussen aanwas en winst is niet simpelweg links versus rechts.  De linkse voorkeuren kun je grofweg zo begrijpen. Een linkse benadering zal eerder nadruk leggen op:
1. Draagkracht. Meer vermogen betekent meer draagkracht. 2. Vermogensongelijkheid. Grote vermogensconcentraties moeten fiscaal worden meegenomen. 3. Arbeid versus kapitaal. Niet alleen arbeid moet de belastingbasis dragen. 4. Werkelijk rendement. Een miljonair die 15% rendement maakt moet niet fiscaal hetzelfde worden behandeld als iemand die 1% maakt. 5. Minder mogelijkheden tot belastingplanning. Dus minder mogelijkheden om belasting uit te stellen of vermogen tussen boxen te schuiven.  De rechtse/liberale voorkeuren kun je grofweg zo begrijpen. Meer nadruk op: 1. Eigendomsrecht, De overheid moet terughoudend zijn met belasting op opgebouwd vermogen.
2. Investeringsprikkels, Kapitaal moet beschikbaar blijven voor ondernemerschap en investeringen.
3. Liquiditeit, Je moet geen belasting betalen over geld dat je niet hebt ontvangen.
4. Inflatie, Nominale waardestijging is niet automatisch echte winst.
5. Voorspelbaarheid, Een belastingstelsel moet eenvoudig en stabiel zijn.
6. Voorkomen van vermogensvlucht Te hoge belasting kan kapitaal naar het buitenland verplaatsen.  

Maar dan heb je nog een derde positie. Die is misschien nog interessanter: De “klassiek fiscale” invalshoek, Die zegt: laat vooral de economische efficiëntie en uitvoerbaarheid bepalen. Dus: wat kost het de Belastingdienst? hoeveel fraude ontstaat? hoeveel administratie ontstaat? hoeveel gedragseffecten ontstaan? hoeveel arbitrage ontstaat? hoe stabiel zijn de belastinginkomsten? Vanuit deze invalshoek is een perfecte theoretische belasting irrelevant als de Belastingdienst hem niet kan uitvoeren. En dát is momenteel een van de grootste problemen.
De Belastingdienst is namelijk onderdeel van het probleem; Een systeem met: “We belasten precies jouw daadwerkelijke rendement”, klinkt prachtig. Maar stel dat 4 miljoen Nederlanders: bankrekeningen, aandelen, vastgoed, buitenlandse rekeningen, crypto, schulden, beleggingen, verhuur, eigen gebruik en kunst? moeten opgeven. Dan moet de Belastingdienst dat allemaal kunnen controleren. De Raad van State wees erop dat het voorgestelde systeem grote gevolgen heeft voor de uitvoering en voor het "doenvermogen" van burgers.   De paradox; En hier zit een van de mooiste paradoxen van de box-3-discussie: Het forfaitaire systeem is: simpel maar soms onrechtvaardig. Het systeem van werkelijk rendement is: rechtvaardiger op papier maar veel ingewikkelder. Je ruilt dus: eenvoud in voor individuele rechtvaardigheid. En dat is onvermijdelijk. Je kunt niet tegelijkertijd alles hebben. Je zou het ideale systeem willen: exact rechtvaardig, volledig gebaseerd op werkelijk rendement, eenvoudig, goedkoop, fraudebestendig, juridisch waterdicht, economisch neutraal, geen liquiditeitsproblemen, geen belastingarbitrage, geen kapitaalvlucht, volledig automatisch. Dat bestaat waarschijnlijk niet. Iedere variant maakt ergens een compromis. De drie belangrijkste modellen; Je kunt de hele discussie daarom terugbrengen tot drie modellen.
Model A — forfait, “Je hebt zoveel vermogen, dus we veronderstellen een bepaald rendement.” Plus, eenvoudig, voorspelbaar, relatief goedkoop en  goed uitvoerbaar, Maar min; kan sterk afwijken van werkelijkheid, juridische problemen, spaarders kunnen relatief zwaar worden geraakt.
Model B — vermogensaanwas, “Je werkelijke vermogen is dit jaar met €X gestegen, dus dat is rendement.” Plus; sluit aan bij economische opbrengst, weinig ruimte voor eindeloos uitstel, minder lock-in, rendement wordt jaarlijks belast. Maar min; belasting over papieren winst, liquiditeitsproblemen, waarderingsproblemen, complexer
Model C — vermogenswinst; “Je betaalt pas over waardestijging wanneer je verkoopt.” Plus sluit aan bij gerealiseerde winst, weinig , luiditeitsproblemen,                 relatief intuïtief. Maar min; enorme prikkel om niet te verkopen, belastinguitstel, complexe historische aankoopprijzen, mogelijk grote budgettaire effecten in eerste jaren, fiscale planning
En daarom is de huidige wet een hybride model. Het voorgestelde stelsel kiest ongeveer: liquide vermogen → aanwas, illiquide vermogen → winst, Dat is geen toevalligheid. Het probeert de voordelen van beide systemen te combineren. Maar het krijgt daardoor ook de nadelen van beide systemen. En dat is precies waarom de kritiek zo sterk is.

De politieke tegenstelling wordt nu heel interessant; Kijk bijvoorbeeld naar de behandeling in de Tweede Kamer. Het amendement van GroenLinks-PvdA om een 49,5%-toptarief in box 3 te introduceren werd verworpen. Ook een voorstel om vastgoed niet van de vermogensaanwasbelasting uit te zonderen werd verworpen. Aan de andere kant kwamen vanuit partijen als JA21, BBB en anderen juist voorstellen om meer richting een vermogenswinstbelasting te gaan. In de Eerste Kamer ligt bijvoorbeeld een motie van BBB c.s. om het huidige wetsvoorstel in te trekken en te werken aan een stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting; die motie is momenteel aangehouden. 
Dit illustreert mooi waar de politieke breuklijnen lopen.  Wat vinden de partijen die het nieuwe systeem verdedigen? De verdediging van het kabinet is grofweg: het huidige forfaitaire stelsel is juridisch en maatschappelijk niet houdbaar. Daarom moet je naar werkelijk rendement. Maar: een volledig vermogenswinststelsel heeft te veel nadelen. Dus: Vermogensaanwas als hoofdregel, met uitzonderingen. Het kabinet stelt bovendien dat ongeveer 2,5 miljoen belastingplichtigen met voornamelijk banktegoeden en beursgenoteerde beleggingen zoveel mogelijk vooraf ingevulde gegevens kunnen krijgen.  De kritiek van de tegenstanders is ongeveer; Dit is geen echt eenvoudig systeem van werkelijk rendement. Want je krijgt een ingewikkelde combinatie van: vermogensaanwas, vermogenswinst, forfaitaire elementen, vastgoedregels, eigengebruikregels, verliesverrekening , verschillende waarderingsmethoden. Daarom noemen tegenstanders het soms een bureaucratisch monster. Een concreet voorbeeld is JA21, dat in de Tweede Kamer betoogde dat de vermogensaanwasbelasting papieren winsten belast en problemen rond inflatie, complexiteit en rechtszekerheid kent. Dat is hun politieke beoordeling, niet een vaststaand feit. 

Maar er is nóg een probleem: verliezen; Stel: 2028: €100.000 rendement, 2029: − €100.000 rendement  Als je ieder jaar afzonderlijk belast, heb je een probleem. Over 2028 betaal je belasting. In 2029 heb je je winst weer verloren. Daarom is verliesverrekening essentieel. Het wetsvoorstel voorziet in verliesverrekening naar toekomstige jaren; in 2026 onderzoekt het kabinet bovendien een mogelijkheid tot één jaar achterwaartse verliesverrekening. Dat laat mooi zien waarom het systeem ingewikkeld wordt. Want beleggen werkt nu eenmaal niet lineair; Een belegger kan hebben: 2027: +20%, 2028: −30%, 2029: +15%, 2030: −10%, 2031: +25%, Als je werkelijk rendement wilt belasten, moet je een manier vinden om te voorkomen dat iemand wordt belast alsof iedere winst definitief is, terwijl die winst later weer verdampt. Daarmee kom je automatisch bij: verliesverrekening, carry-forward, eventueel carry-back, drempels, overgangsregels. En elke extra regel maakt het systeem complexer. Een ander fundamenteel probleem: timing, ja ja wij zijn er bijna: Stel iemand heeft €1 miljoen. Hij maakt: jaar 1: +€200k, jaar 2: −€200k, Over twee jaar is zijn vermogen precies gelijk gebleven. Economisch zou je kunnen zeggen: netto rendement = €0. Maar als je in jaar 1 belasting heft en het verlies pas later verrekent, heeft de overheid tijdelijk belasting ontvangen. Dat lijkt misschien onbelangrijk. Maar op grote schaal wordt timing fiscaal heel relevant.  En dan komen we bij de vraag: moet je inflatie corrigeren? Dit is een van de interessantste fundamentele keuzes. Stel: vermogen = €1 miljoen, rendement = 5%, inflatie = 4%, Je hebt €50.000 nominale winst. Maar je koopkracht is maar met ongeveer €10.000 toegenomen.
Wat is dan je echte rendement? Optie 1, Belasting over €50.000. Optie 2, Belasting over ongeveer €10.000. De eerste is eenvoudiger. De tweede sluit beter aan bij reële vermogensgroei. Maar optie 2 is ingewikkelder. En dat raakt vooral de middenklasse met vermogen; Denk aan iemand die: €500.000 erfenis heeft of een tweede huis heeft of      €300.000 spaargeld heeft of wellicht langzaam voor pensioen heeft gespaard. Die persoon is niet noodzakelijk “superrijk” in de zin van een miljardair. Maar heeft wel veel vermogen. Daarom is het politieke verhaal: “We belasten de rijken” te simplistisch. Box 3 raakt een veel bredere groep. Het liberale tegenargument. Een liberale benadering kan daartegenover zeggen: Het doel van belasting is niet om vermogensverschillen weg te nivelleren. De overheid moet vooral belasting heffen om publieke voorzieningen te financieren. En:      Als je vermogen te zwaar belast, kan je sparen, ondernemen en investeren ontmoedigen. Daarom zou het tarief gematigd moeten blijven. De echte links-rechts tegenstelling is dus eigenlijk deze. Niet: “links is voor werkelijk rendement en rechts tegen.” Maar eerder: Links vraagt:   Hoe zorgen we dat mensen met grote vermogens voldoende bijdragen? Rechts vraagt: Hoe zorgen we dat belastingheffing niet leidt tot kapitaalvernietiging, uitstelgedrag en aantasting van eigendom? De uitvoeringskant vraagt: Kunnen we dit überhaupt betrouwbaar uitvoeren? De rechterlijke kant vraagt:     Is het juridisch proportioneel? De econoom vraagt: Welke belasting veroorzaakt de minste economische verstoring? En die vragen kunnen allemaal tegelijkertijd legitiem zijn. En wat zouden wij Hans en Frans als “ideale” oplossing conceptueel onderscheiden? Niet als politieke aanbeveling, maar als analyse zou je het vraagstuk in vier keuzes uit elkaar moeten trekken.
Keuze 1 — Wat is de belastingbasis?                
•             vermogen?                
•             werkelijk rendement?                
•             gerealiseerd rendement?                
•             reëel rendement?
Keuze 2 — Hoe progressief?                
•             één tarief?                
•             meerdere tarieven?                
•             heffingsvrij bedrag?                
•             vermogensafhankelijke vrijstelling?
Keuze 3 — Wanneer betaal je?                
•             jaarlijks over aanwas?                
•             bij verkoop?                
•             hybride?
Keuze 4 — Hoe breed? Alleen box 3? Of ook:                
•             eigen woning                
•             pensioen                
•             BV’s                
•             box 2                
•             ondernemingsvermogen?
En daar zit volgens ons de belangrijkste les, Je kunt box 3 eigenlijk niet volledig los zien van box 1 en box 2. Want voor de laatste keer stel: Een werknemer heeft €2 miljoen spaargeld. Een ondernemer heeft €2 miljoen in zijn BV. Een huiseigenaar heeft €2 miljoen overwaarde in zijn woning. Een belegger heeft €2 miljoen aandelen. Dat zijn vier mensen met ongeveer dezelfde hoeveelheid vermogen. Maar fiscaal worden ze totaal anders behandeld. Daarom zegt de Raad van State dat een integrale visie op de belasting van vermogen ontbreekt.  Er zijn eigenlijk vier verschillende ideeën over rechtvaardigheid. 1. Gelijkheid; Mensen met hetzelfde vermogen worden gelijk behandeld. 2. Draagkracht, Mensen die meer kunnen betalen, betalen meer. 3. Realisatie, Je betaalt belasting wanneer je daadwerkelijk geld verdient. 4. Economische neutraliteit, Belasting moet mensen zo min mogelijk verleiden om hun economische gedrag te veranderen. En de écht fundamentele vraag; Als je alle technische details weghaalt, gaat de discussie uiteindelijk hierover: Is vermogen zelf een vorm van draagkracht die je mag belasten, of moet de overheid vooral het inkomen uit vermogen belasten? En als je kiest voor het tweede: Wanneer ontstaat dat inkomen? Bij een koersstijging? Bij verkoop? Bij dividend? Bij huur? Na inflatie? Na kosten? Na verliezen? En vervolgens: Hoeveel daarvan mag de overheid afromen? Daar zit de echte politieke discussie. De huidige kabinetslijn zegt :Het forfait moet verdwijnen en werkelijk rendement is het uitgangspunt, maar een volledig vermogenswinststelsel heeft ook grote nadelen. Daarom is gekozen voor een hybride systeem met vermogensaanwas als hoofdregel en vermogenswinst voor bepaalde illiquide categorieën.  De grote ironie is dus dat iedereen het er min of meer over eens kan zijn dat het oude systeem slecht werkte, maar je vervolgens bij de vraag “wat dan?” onmiddellijk in een fundamenteel links-rechts én economisch-juridisch debat terechtkomt. En juist dát maakt box 3 zo’n fascinerend dossier. “Maar ehhh Hans, zullen we deze vraag op 29 oktober maar niet stellen? Als wij naar de Tweede kamer gaan is het altijd luchtig en leuk, net als de lunch bij jouw op kantoor. Ik zal de drankjes even afrekenen en ehh volgende keer maar een boom opzetten over de toeslagen Huur, Zorg etc. of wordt dat net zo’n lange discussie als deze hier. Prettige avond en bedankt voor de les!”

Discussie tussen Hans en Frans over box 3, blijf wakker

Abonneer op onze nieuwsbrief